Aanzegverplichting bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd - Bernhaege Advocaten

Aanzegverplichting voor werkgevers

Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor zes maanden of langer, is de werkgever verplicht uiterlijk een maand voor het verstrijken daarvan schriftelijk aan de werknemer kenbaar te maken of de arbeidsovereenkomst wel of niet wordt voortgezet. Als de arbeidsovereenkomst voortgezet wordt, moet ook kenbaar zijn onder welke voorwaarden. Dit wordt de aanzegverplichting genoemd.

Laat de werkgever na de werknemer tijdig schriftelijk mee te delen of de arbeidsovereenkomst na het verstrijken daarvan al dan niet wordt voortgezet, dan is hij een vergoeding verschuldigd gelijk over het loon van één maand. Of, als hij te laat aanzegt het loon over de periode van de vertraging (dus bijvoorbeeld twee weken te laat aanzeggen betekent een vergoeding van twee weken loon). De aanzegverplichting is in deze gevallen niet gevolgd.

Wanneer de (ex)werknemer aanspraak wil maken op de vergoeding, moet hij dat binnen twee maanden na het eindigen (of voortzetten) van de arbeidsovereenkomst doen. Doet de werknemer dat niet, dan vervalt de aanspraak op de vergoeding.

Een situatieschets bij de Kantonrechter in Groningen

Op 5 november 2015 heeft de Kantonrechter in Groningen hier een uitspraak over gedaan. Wat was het geval?
De werknemer ontkent de brief, waarin wordt gemeld dat arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd, te hebben ontvangen. Volgens de Kantonrechter dient dan de werkgeefster te bewijzen dat daadwerkelijk en tijdig is aangezegd.
Werknemer is op 13 januari 2015 in dienst getreden bij werkgeefster. De laatste functie die werknemer vervulde, is die van Adviseur Hypotheken. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en van rechtswege geëindigd op 13 juli 2015. Werknemer verzoekt werkgeefster te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.300 bruto. Dit wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 onderdeel a BW. Werkgeefster heeft een aan de werknemer geadresseerde brief d.d. 8 juni 2015 in het geding gebracht. Hierin wordt aan werknemer gemeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Werknemer ontkent deze brief te hebben ontvangen.

Het daarop volgende oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voorop gesteld wordt dat de wet nadrukkelijk verlangt dat de werkgever de werknemer schriftelijk informeert. Werknemer heeft gemotiveerd betwist dat werkgeefster heeft voldaan aan de wettelijk vastgestelde schriftelijke aanzegverplichting. In de wetsgeschiedenis van artikel 7:668 BW is ten aanzien van de bewijslastverdeling het volgende opgemerkt: ‘Ten aanzien van de bewijslast (verdeling) geldt het volgende. Aangezien de werknemer zich zal moeten beroepen op het niet (tijdig) aangezegd zijn, zal hij dit wel eerst moeten stellen. Vervolgens zal de werkgever, aangezien op hem de plicht rust om aan te zeggen, moeten bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk en tijdig gedaan heeft. Aangezien de aanzegging schriftelijk dient plaats te vinden, doet een werkgever er wijs aan om de aanzegging aangetekend te versturen. Als uitgangspunt voor de schriftelijke aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW heeft de ontvangsttheorie te gelden. Deze theorie houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring enkel werking heeft wanneer vaststaat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. In deze zaak staat vast dat de onderhavige brief niet per aangetekende post is verzonden en dat deze brief niet ‘voor gezien’ door werknemer is ondertekend. De werkgeefster dient dus te bewijzen dat de werknemer de brief heeft ontvangen.